Ethiopië: grenzen aan de hulp

In oktober 2008 bezocht ik vier vluchtelingenkampen in Ethiopië, aan de grens met Somalië. Indrukwekkend? Ja, zeker, maar dat woord dekt de lading niet. Ik gebruikte later woorden als heftig, zwaar, leerzaam. Ook waar. Maar toch vind ik de juiste woorden niet.

Wat zijn de juiste woorden voor de overvolle kampen? 
Voor de lege ogen van jonge meiden zonder toekomstdromen? 
Voor de liefdevolle hand van een moeder om de wang van haar zwaar gehandicapte kind?
Hoe beschrijf ik het brandende besef van wat ik heb: mijn paspoort, veiligheid, opleiding, kansen, gezondheidszorg, huis en werk; die vanzelfsprekende wereld waar ik weer naar toe kon en die voor hen onbereikbaar is?

Gedeelde passie
Ik heb wel woorden voor het werk van ZOA. Het was geweldig om de veldwerkers te ontmoeten en te merken dat we onze passie voor vluchtelingen en ontheemden delen. Het was bemoedigend om de gewassen in de kleinschalige moestuintjes te zien groeien en naaimachines van de vaktraining te horen ratelen. Het was inspirerend om mensen te zien die kansen krijgen en ze grijpen.

Niet alles kunnen doen
Ik heb ook geleerd dat het werk langzaam gaat. Er is nog zoveel te doen! Maar we hebben voldoende en goede staf nodig om het werk uit te voeren. Ook als er meer werk te doen is, zitten er grenzen aan de hulp, omdat we misschien wel alles willen, maar niet alles kunnen. In het kamp Sheder werd me dat op een bijzondere manier duidelijk gemaakt. Dit kamp is begin 2008 opgericht om nieuwe Somalische vluchtelingen op te vangen. In oktober was ZOA daar op bezoek om te kijken welke noden er waren en of we activiteiten konden starten. Samen met mijn Ethiopische collega Tigest liep ik door dit kamp in aanbouw.

Sheder: kamp in aanbouw
Mensen drongen om me heen, er werd geschreeuwd, een vrouw trok aan mijn linkerarm en stak haar tong uit. “Look my lips, look my tongue, it is dry.” Schuin voor me zat een man zonder onderbenen op de grond. Rechts vertelde een man over de gezondheidsproblemen vanwege het vervuilde water. “Wat komen jullie doen?”, riep een boze stem.

Tigest onderzocht of ZOA hier aan de slag kan, naast het werk dat we al doen in vier andere kampen in deze regio. Ze had een gesprek met de kliniek en liep daarna met mij door het kamp om de vluchtelingen aanvullende vragen te stellen. "Zijn er speciale problemen of noden waar jullie tegenaan lopen", vroeg ze de samengedromde Somaliërs. Een man van middelbare leeftijd sprak wat Engels en nam het woord. Hij vertelde dat ze met name schoon drinkwater en gezondheidszorg nodig hadden in dit kamp. En vooral... een toekomst.

Toekomst?
Ik stond met mijn mond vol tanden. Water, gezondheidszorg, dat zijn woorden die de mouwen doen opstropen. Maar een toekomst? Wat kan ik daar aan doen? Vrede in Somalië is voorlopig nog niet in zicht. Een dag eerder bezocht ik het kamp Kebrebeyah, waar veel Somalische vluchtelingen al bijna twintig jaar verblijven. Ze zouden graag naar een Westers land gaan, maar wie wil hen hebben? En waarom zou het voor deze pas aangekomen vluchtelingen in Sheder-kamp anders gaan?

Door onze activiteiten op het gebied van water en sanitatie, voedselzekerheid en inkomstenverwerving proberen we Somalische vluchtelingen een kans te bieden op een menswaardig bestaan. Maar het blijft tweede keus natuurlijk. Terug naar huis, een leven waarin ze geen vluchteling meer zijn, dat valt buiten onze mogelijkheden. Die grenzen aan de hulp werden me pijnlijk duidelijk.

Niet vergeten
Die grenzen aan de hulp stimuleerden me overigens eens te meer om de mouwen op te stropen en deze mensen, in de woestijn in een uithoek van Ethiopië, een uithoek van de wereld, te laten weten dat we ze niet vergeten.

Els Sytsma
communicatiemedewerker

 


Terug naar het overzicht

Delen |