Zuid Sudan: Onderwijs is de sleutel voor hoopvolle toekomst

Zuid-Sudan: Onderwijs is de sleutel voor een hoopvolle toekomst

In juni heb ik onderwijsprojecten bezocht in Zuid-Sudan. Een heel bijzondere reis naar een gebied dat tientallen jaren is geteisterd door burgeroorlog. Hoewel ik al vaker in Afrika ben geweest, is dit toch een heel andere ervaring. Het geweld is niet meer zichtbaar, maar de gevolgen ervan blijken iedere dag volop aanwezig in het leven van de Sudanezen!

Ik werk sinds anderhalf jaar als marketingmedewerker voor ZOA. Het doel van dit bezoek is om veel te leren over het werk van ZOA in het veld, zodat ik dat bij mijn werk kan gebruiken. Verder zal ik de komende maanden druk zijn met een fondsenwervingscampagne voor onderwijs in Zuid-Sudan, en daar zal ik tijdens dit bezoek volop over horen en zien!

Dinsdag 15 juni
We vliegen naar Arua in Noord-Uganda, en rijden vandaaruit naar Sudan. Zo kregen we ook een eerste indruk van de verschillen tussen deze beide Afrikaanse landen. De weg werd steeds slechter en de dorpjes liggen hier verder uit elkaar.

Woensdag 16 juni
Onze eerste stop is Lainya. We hebben daar een leuke ontmoeting met het team. In 2005 was ZOA de eerste NGO die hier kwam werken. Het team bestaat nu uit tien personen. We horen hier voor het eerst vanuit het veld over de problemen in het onderwijs. Er zijn veel grote scholen, maar er is een groot gebrek aan leerkrachten. De overheid heeft namelijk alle vrijwillige leraren ontslagen, omdat ze onvoldoende gekwalificeerd zijn. Helaas laat de overheid het daarbij: ze krijgen geen mogelijkheden aangeboden om alsnog hun diploma’s te halen. 

Vervolgens brengen we een bezoek aan Katigiri. ZOA werkt hier al sinds 2000, toen de burgeroorlog nog in volle gang was. De mensen die we spreken, zijn tevreden over het werk van ZOA. Er zijn twee klassenblokken gebouwd en schoolmeubels geleverd. Als we vragen naar het functioneren van de school, komt ook hier het probleem van te weinig leraren boven tafel. Ze vertellen ons dat ze vijf klassen hebben en vier leraren. Dit betekent dat de leraren de hele dag ‘rondrennen’. Op school zitten vierhonderd kinderen! Doordat er tijdens de oorlog geen school is geweest, en kinderen van hetzelfde niveau bij elkaar zijn gezet, is het leeftijdsverschil in één klas soms groot. Helaas is in de buurt van Katigri geen voortgezet onderwijs. Kinderen die verder willen leren, vertrekken vaak richting Uganda.

Donderdag 17 juni
Vandaag gaan we een aantal scholen bezoeken. Voor de meest afgelegen school moeten we een rit maken van vier uur door de bush. Onderweg komen we vier kinderen tegen. Zij waren al twee dagen onderweg om voedsel te halen dat door het World Food Programme werd uitgedeeld, zo’n 50 kilometer verderop. Doordat de wegen slecht zijn, wordt het voedsel niet dichterbij hun dorp gedistribueerd. We hebben deze vier een lift gegeven terug naar huis. Ze hebben veel indruk op me gemaakt!

Onderweg kwamen we veel scholen tegen die gebouwd zijn door ZOA. Ook een aantal gezondheidscentra en waterpompen. Bij veel gebouwen is helaas geen bedrijvigheid te zien… Hoe komt dit?

De basisschool in Rokon telt 338 leerlingen: 145 meisjes en 193 jongens. Er zijn vier betaalde leerkrachten en een vrijwilliger. De school is vorig jaar door ZOA gebouwd. Eerder werd er onder de boom lesgegeven. Mooi dat nu ook tijdens het regenseizoen de lessen door kunnen gaan. Uiteraard hebben we eerst een gesprek met de directie. Zij laten ons o.a. de statistieken zien… Denk nu niet aan een excelsheet, het gaat hier met de hand! Er is een mooie tabel getekend, met daarin per klas een overzicht met het aantal jongens en meiden. In de eerste twee klassen is dit nog mooi verdeeld, maar helaas loopt het aantal meisjes dan snel terug. Veel meisjes worden al jong thuis gehouden om hen voor te bereiden op hun huwelijk – vaak trouwen ze rond hun 14e jaar. We vragen we aan de directie wat ZOA doet om meer meisjes naar school te krijgen. Ze vertellen dat ze in de omliggende dorpen workshops organiseren om ouders bewust te maken van het belang van onderwijs – ook voor meisjes.

Ondertussen geniet ik van de kinderen die zich om me verdringen, en om mijn fototoestel. Uiteraard zijn ze helemaal verbaasd om hun eigen koppie weer terug te zien op de foto. Al die kinderen… ze maken ook veel in me los. Ook zij hebben dromen en ideeën over hun toekomst. Kunnen we hen helpen deze dromen te realiseren?

We gaan we naar een volgende school, de basisschool in Tijor. Deze school is dit jaar door ZOA gebouwd. Helaas is er niemand aanwezig, omdat een eind verderop een voedseldistributie van het WFP is. Bijna het hele dorp is daarnaar toe. Vandaar dat de school een aantal dagen gesloten is. Deze keer duurt het langer omdat er veel regen is gevallen en de wegen slecht zijn. We spreken hier met George Jeremiah. Hij is sinds kort door de overheid aangesteld als leraar op deze school. Zijn gezin woont nog in Juba. Helaas ziet hij hen nu weinig door de grote afstand.

’s Middags bezoeken we een gezondheidscentrum in Katigiri. Dit centrum is met behulp van ZOA opgestart, en is overgedragen aan de overheid – de overheid is natuurlijk verantwoordelijk voor de gezondheidszorg en moet, nu de oorlog is afgelopen, de publieke taken weer op zich nemen. Helaas loopt het niet helemaal op rolletjes. Salarissen worden te laat uitbetaald, de auto is technisch niet heel goed meer en zo zien we nog wel meer. We horen dat het probleem ligt in het feit dat de overheid vooral naar de ziekenhuizen in de steden kijkt. De overheid draagt dus wel zorg voor de gezondheidszorg in de steden, maar veel minder voor de dorpen.

Vrijdag 18 juni
Vandaag gaan we naar Juba, de hoofdstad van Zuid-Sudan, waar we vriendelijk ontvangen worden door onze lokale ZOA-collega’s. Hier bezoeken we een basisschool met een goed functionerende Parent Teacher Association (PTA). We hebben een ontmoeting met deze PTA onder een boom bij de school.
In totaal gaan hier 889 kinderen naar school. Er zijn acht door de overheid betaalde leraren en 21 vrijwilligers. Voor de vrijwillige leraren betalen de ouders een kleine bijdrage. Op deze manier krijgen ze toch hun salaris.
De school werkt in shifts. ’s Morgens komen de jongste kinderen en ’s middags komen de oudste groepen. De leraren zijn wel de hele dag in touw. Op deze manier hebben ze het ruimtegebrek opgelost. Tijdens de rondleiding mag ik Marry wat vragen stellen. Eerst komt ze wat verlegen haar bank uit. De directeur van de school slaat trots een arm om haar heen en ze komen samen naar mij toe lopen. Eerst begint Marry ZOA hartelijk te bedanken voor haar uniform, de schoolbanken enz. Maar goed, ik ben veel meer geïnteresseerd in wie Marry nu eigenlijk is. Ze vertelt met een lach op haar gezicht dat ze dolgraag lerares wil worden. Helaas is het gesprekje maar kort, daarna loopt Marry weer naar haar plaats. Samen met nog drie andere meiden deelt ze haar schoolbankje. De klassen zitten echt overvol.
Tijdens de rondleiding komen we ook in groep 1 en 2. Hier is geen meubilair en de kinderen zitten op de grond of op een steen.

Na een heerlijke lunch brengen we een bezoek aan het ouderenonderwijs in Juba. Erg indrukwekkend! In de klas zitten ongeveer vijftien personen tussen de 40 en 70 jaar. Samen zijn ze Engelse woorden aan het oefenen. Ook voeren twee ‘leerlingen’ een hele basale dialoog. Twee van de leerlingen, Grace en John, hebben een brief geschreven en lezen deze voor. Het is voor hen de eerste keer dat ze dit doen. Ze vertellen erg blij te zijn dat ze dit onderwijs kunnen volgen. Grace wilde vooral graag onderwijs zodat ze snapt wat haar kinderen op school leren, en zodat ze de bijsluiters van medicijnen kan lezen. John wil graag priester worden.
Onze collega Dan houdt ook nog een speech. Hij roept vooral de vrouwen op om ook hun mannen mee te nemen naar school. Daarna staat een vrouw op en gaat voor in gebed… Helaas begrijpen we niets van dit Arabische gebed, maar het is erg indrukwekkend. Vrouwen en een man die hard leren voor hun toekomst… terwijl het je ouders hadden kunnen zijn.

Zaterdag 19 juni
In Terekeka hebben we een ontmoeting in het dorpsgebouw, met alleen maar mannen. De vrouwen zijn jammer genoeg thuisgebleven. ZOA heeft ook hier een gezondheidscentrum gebouwd, waar vooral vaccinaties worden gegeven aan de kinderen. De mannen zijn er blij mee, vertellen ze, de levensverwachting is echt omhoog gegaan. Dat is mooi. Maar we hadden graag ook met vrouwen gesproken, omdat ZOA juist met hen een landbouw- en bijenteeltproject heeft uitgevoerd. Graag hadden we gehoord hoe dat nu gaat en of de hulp van ZOA verschil heeft gemaakt in hun leven.

Dit is een gebied waar de oorlog erg heftig is geweest. Waarschijnlijk heeft iedereen die we spreken wel familie verloren, en iedereen moet opnieuw starten met de wederopbouw van zijn eigen bestaan …

Onderweg naar Tali is niet altijd duidelijk waar de weg loopt, maar gelukkig weet de chauffeur tussen de bebossing precies de goede richting. Langs de kant van de weg zijn de tekenen van de oorlog nog zichtbaar. Overal staan paaltjes of liggen stenen met rode verf, wat betekent dat er mijnen liggen.

Zondag 20 juni
’s Morgens gaan we in Tali naar de kerk. Een gebouw van golfplaten, vol mannen, vrouwen, kinderen en baby’s. Mooi om te zien hoe zij, ondanks hun dagelijkse problemen, God vol overgave dienen. Er is een vrouwenkoor dat geweldig kan zingen!

Het is vandaag Wereldvluchtelingendag. Ik weet dat er in diverse kerken in Nederland vandaag specifiek voor vluchtelingen wordt gebeden. Bijzonder om juist op deze dag midden in Zuid-Sudan te zijn en ook hier naar de kerk te gaan!

Maandag 21 juni
We beginnen de dag samen met de collega’s met de weekopening. Net zoals we dat in Apeldoorn iedere maandag doen. Daarna gaan we op bezoek bij TAYA (Tali Youth Assosiation). Dit is een partnerorganisatie van ZOA, die op scholen en in de dorpen werken aan bewustwording rondom HIV/Aids.
Vervolgens hebben we een gesprek met de lokale overheid. Van dat gesprek werd ik echt een beetje gefrustreerd. Ze hebben een hele wensenlijst … een hek om de school, een nieuwe motor en zo gaat het maar door. Waarom gaan ze zelf niet aan de slag met het maken van een hek? Zijn ze te afhankelijk geworden van hulpverleners?
Op onze vraag of er nog goede dingen zijn, komt gelukkig wel positief antwoord: bijvoorbeeld de schooluniforms, het school- en kantoormeubilair. Mijn Sudanese collega Michael buigt het gesprek gelukkig in de goede richting, namelijk hun eigen verantwoordelijkheid. Ze kunnen niet alleen zelf een hek maken, ze kunnen ook zelf bij het Minsterie van Onderwijs in Juba vragen om financiering en benodigdheden. Later realiseer ik me dat ik hier een prachtig voorbeeld heb gezien van hulpverlening na een oorlog. Tijdens de oorlog kregen de mensen jarenlang hulp, de overgang naar zelfredzaamheid is een hele moeilijke. Vooral in de hoofden van de mensen. Ik heb bewondering voor het geduld en de betrokkenheid van mijn collega’s, die dagelijks zulke gesprekken voeren.

Margaretha de Koning
marketingmedewerker


Terug naar het overzicht

Delen |