Afghanistan
ZOA-Afghanistan helpt ontheemden in de provincies Uruzgan, Kandahar, Kabul, Jawzjan en SariPul.
ZOA in Afghanistan
Vertrek Nederlandse militairen is het einde van het begin in Uruzgan
Kennismaking met medewerker Haider Ahmadyar
Nederland en Afghanistan
ZOA Afghanistan
ZOA werkt in Afghanistan sinds 2000. We werken onder teruggekeerde vluchtelingen uit Iran en Pakistan en onder de gemeenschappen waarin deze vluchtelingen terugkomen.
Aan het begin van 2009 werd het noorden van Afghanistan getroffen door overstromingen. De overstromingen verwoestten landbouwgrond en infrastructuur. ZOA ondersteunde de getroffen mensen met noodhulp.
Door de verslechterende veiligheidssituatie wordt het steeds moeilijker om te reizen. Daardoor is het monitoren van projecten maar beperkt mogelijk. Voor een Nederlander of een Afghaan van de ´verkeerde´ etnische achtergrond is het in een aantal plaatsen in Afghanistan niet mogelijk om projecten te bezoeken. In Noord Afghanistan zijn de veiligheidsomstandigheden wat beter. Hier zijn ngo´s niet het rechtstreekse doel van gewelddadigheden. Voor ZOA Afghanistan is het een uitdaging om in een tijd van economische recessie aan genoeg donorgelden te komen. In 2009 zijn er meer medewerkers bijgekomen in het kantoor in Kabul. Daardoor zijn er meer mogelijkheden om donoren te benaderen.
ZOA werk in Afghanistan samen met Save the Children, HealthNet en Cordaid. Dit onder de naam Dutch Committee for Afghaistan. Lees hier over het werk dat DCU tot nu toe heeft kunnen doen.
Vertrek uit Uruzgan is niet het begin van het einde, maar het einde van het begin
Met het vertrek van de Nederlandse militairen uit Uruzgan komt een einde aan vier jaar intensieve betrokkenheid bij die Afghaanse provincie. De balans wordt opgemaakt, Nederlandse politici en media willen nu een eindoordeel uitspreken. Hoewel dit begrijpelijk is, is het daarvoor te vroeg. Het vertrek uit Uruzgan is namelijk niet het begin van het einde, maar het einde van het begin, betogen de hulporganisaties van het Dutch Consortium Uruzgan.
Op 1 augustus 2010 is dan formeel de Nederlandse missie ten einde. Het moment van de balans opmaken is aangebroken. Daar dient zich onmiddellijk een probleem aan. Want wat ga je meten? Is het nu veiliger geworden in Uruzgan? Is er met de wederopbouw forse vooruitgang geboekt? Beschikt de provincie misschien over een veel effectiever en minder corrupt bestuur? Of gaat het om een combinatie van alles, het totaalplaatje? Bovendien: hoe zinvol is het om nu al conclusies te trekken? Immers: de ISAF missie gaat gewoon verder, nu onder leiding van de Amerikanen. En er is consensus dat ‘we’ er nog lang niet zijn. Het zal dus nog een hele uitdaging worden om tot een objectieve eindevaluatie te komen van de Nederlandse militaire inspanningen.
Aan het begin van de missie maakten wij als Nederlandse hulporganisaties met activiteiten in Uruzgan al kenbaar dat onze betrokkenheid bij die provincie veel langer zou gaan duren dan de Nederlandse militaire presentie. Van Uruzgan werd wel eens gezegd dat het in de Middeleeuwen was blijven hangen: een aartsconservatieve stammencultuur in een provincie die eigenlijk nooit iets van de eigen overheid had gekregen en waar de taal van de Kalashnikov door iedereen werd gesproken. Alle basisvoorzieningen stonden op een laag pitje en zowel qua infrastructuur als qua markt was er sprake van een totaal isolement ten opzichte van de rest van het land. Hoe konden we verwachten dat binnen enkele jaren een dergelijk gebied volledige aansluiting zou hebben gevonden met de rest van de wereld? We voorzagen dat vooruitgang een proces zou zijn van twee stappen vooruit, en één terug. Relatieve successen zouden worden afgewisseld met tegenslagen. Maar toch waren ook wij aangenaam verrast door de resultaten die we in de afgelopen jaren hebben kunnen boeken. Met ‘we’ doelen we dan op onze Afghaanse collega’s die de verantwoordelijkheid hebben voor projecten op het gebied van gezondheidzorg, onderwijs, landbouwontwikkeling en veterinaire zorg. Op al deze terreinen is sprake van objectief meetbare vooruitgang. Soms zelfs boven verwachting, bijvoorbeeld dat al in 2010 meisjes uit de meest afgelegen gebieden tot vroedvrouw worden opgeleid.
Uruzgan is in sneltreinvaart van de Middeleeuwen in de Renaissance terecht gekomen, zonder overigens de elementen van de Middeleeuwen achter zich te laten. Op de straten van Tarin Kowt is mobiel bellen heel gewoon geworden; het ziekenhuis van Tarin Kowt is voorzien van alle gemakken: alleen voor complexe operaties moet worden uitgeweken naar buurtprovinciehoofdstad Kandahar. De handel tiert welig. Met het gereed komen van een civiele terminal zal de afstand tot de hoofdstad Kabul kleiner dan ooit zijn. Maar tribale twisten over land, water en familie zijn nog aan de orde van de dag. Tijdens de campagne voor de komende parlementsverkiezingen doen slechts drie vrouwen mee. En veel wegen in de provincie zijn vanwege de onveiligheid nog altijd nauwelijks begaanbaar.
In een recent rapport van de internationale NGO Mercy Corps werd aangetoond dat de sleutel tot succes voor ontwikkeling in handen ligt van de Afghaanse lokale bevolking. Projecten die uitsluitend gericht zijn op quick wins zonder steun van de bevolking, zijn tot mislukken gedoemd. Dit vereist een benadering waarin Afghanen zélf het heft in handen nemen, plannen maken en uitvoeren en hun grondwettelijke rechten claimen bij de overheid in Tarin Kowt en Kabul. Onze inzet in Uruzgan is hierop geënt. Lang nadat de laatste Nederlandse militair Uruzgan heeft verlaten en lang nadat de herinneringen aan deze ‘Nederlandse’ provincie zijn vervaagd, zal de bevolking van Uruzgan blijven streven naar betere levensomstandigheden, daar zijn we van overtuigd. De opvolgers van Nederland doen er goed aan optimaal te profiteren van de kiem voor ontwikkeling, goed bestuur, veiligheid en recht die nu is gezaaid. Dan kan over enkele jaren serieus worden nagedacht over de complete ontmanteling van het enorme militaire kamp aan de rand van Tarin Kowt. En dan kan pas echt een oordeel worden geveld over nut, noodzaak en resultaten van de Nederlandse bijdrage in deze zuidelijke Afghaanse provincie. Voor nu kunnen we alleen maar vaststellen dat het glas zeker niet half leeg is.
Door René Grotenhuis (Cordaid), Ab Emmerzaal (DCA-VET), Willem van der Put (HealthNet TPO), Holke Wierema (Save the Children), Johan Mooij (ZOA Vluchtelingenzorg) ter gelegenheid van het vertrek van de Nederlandse militairen uit Uruzgan.
Kennismaking met medewerker Haider Ahmadyar
Haider Ahmadyar (33) weet wat het is om als vluchteling te leven en om terug te keren in een onzekere situatie. Van zijn vijfde tot zijn zeventiende jaar leefde Haider als vluchteling in Pakistan. In 1994 keerde de familie Ahmadyar terug naar Afghanistan. Haider ging medicijnen studeren in Balkh in Noord Afghanistan. Sinds november 2003 werkt Haider voor ZOA in Afghanistan als Operations Support Manager voor Noord Afghanistan. ´ZOA werkt voor de meest kwetsbare mensen, mensen die lijden onder schaarste en de gevolgen van natuurrampen. Die mensen te helpen, is wat mij motiveert.´
Haider heeft hoop voor de toekomst. ´De wereld heeft sinds de laatste acht jaar eindelijk oog voor het lijden in dit land. Wereldgemeenschappen dragen nu bij aan de ontwikkeling van ons land en aan vredesopbouw. Dat geeft mij, en alle Afghanen, hoop voor de toekomst. Bovendien ben ik hoopvol omdat ik werk voor ZOA, een toegewijde humanitaire organisatie die zich inzet voor mensen die alle hoop verloren hadden.´
Nederland en Afghanistan
Dankzij een succesvolle en snelle fondsenwervende actie kon ZOA in mei snel hulp verlenen aan de slachtoffers van overstromingen in Noord Afghanistan. Op 3 mei werd het Faizabad district in de Jawzjan provincie getroffen door overstromingen. ZOA maakte een inschatting van de schade en deed onderzoek naar de grootste noden. Op 10 mei ontving ZOA in Apeldoorn de rapportage. Tien dagen later, op 20 mei was er 10.000 euro beschikbaar gesteld door een Nederlands bedrijf. Daarnaast maakten twee kerken hun collecteopbrengst van over ten behoeve van noodhulp in Afghanistan. Van dit geld ontvingen 215 families voedselpakketten.

