Bidden voor Afghanistan

Hoewel ZOA dit voorjaar uit Afghanistan is vertrokken, maken we ons grote zorgen over het land nu de Taliban de macht heeft overgenomen. Doordat we er de afgelopen 20 jaar hebben gewerkt van noodhulp naar wederopbouw, voelen we ons nog nauw verbonden met het land en de mensen, in het bijzonder met de lokale collega’s die voor ZOA gewerkt hebben.

Er is nog veel onzeker over wat er gaat gebeuren in het land en hoe strikt de Taliban zal optreden, maar uit contacten met voormalige Afghaanse collega’s  maken we op dat zij er niet gerust op zijn. Sommigen is het gelukt om het land nog te ontvluchten naar buurlanden, anderen zijn ondergedoken en vragen om hulp om het land te kunnen verlaten. Hoewel onze mogelijkheden beperkt zijn, hebben we een Crisisteam samengesteld om deze situatie nauwkeurig in de gaten te houden en te doen wat we kunnen. Zo hebben we de politiek gevraagd om ruimhartig te zijn met het evacueren van Afghanen die hebben gewerkt voor Nederlandse hulporganisaties. Deze organisaties hebben immers – mede met gelden van van de Nederlandse overheid – gewerkt aan projecten die nu gevoelig liggen, bijvoorbeeld het verbeteren van de inkomenspositie van vrouwen, maar ook onderwijs voor jongens én meisjes.

Ondergedoken
Nederlandse ZOA-collega’s die in Afghanistan hebben gewerkt voelen zich extra geraakt door de snelle ontwikkelingen. “Drie Afghaanse vrouwen waar ik mee samenwerkte en die hun eigen organisatie hadden opgezet, zijn ondergedoken”, zegt Rina Teeuwen. Rina keerde twee maanden geleden terug vanuit Kabul na het afronden van de projecten van ZOA en probeert nu haar voormalige collega’s te bemoedigen. Rina: “Maar ik houd m’n hart vast voor de toekomst en ben bezorgd.”

Machteloos
ZOA-medewerker Sabine van Leuveren heeft de projecten in Afghanistan vooral vanuit het kantoor in Apeldoorn met raad en daad ondersteund. Ze heeft contact met enkele oud-collega’s en wil alles doen wat mogelijk is voor de Afghanen die voor ZOA hebben gewerkt. “We verzamelen documenten en paspoortnummers, schrijven brieven, alles wat deze mensen daar eventueel kan helpen. Bij die mensen gloort er dan toch wat hoop, ook al wil je ze geen valse hoop geven. Het is al lastig om Nederlanders uit Afghanistan te krijgen, laat staan Afghanen, ook al hebben ze voor Nederlandse organisaties gewerkt. Je zou heel graag concreet willen helpen en zeggen: kom maar hier in huis, dan zien we daarna wel. Maar dat kan niet en dat voelt machteloos.”

Niet voor niks
Hoewel de recente gebeurtenissen weinig hoopvol stemmen, is ons werk in Afghanistan niet voor niks geweest. Niet alleen heeft de noodhulp (zoals voedsel, drinkwater of tijdelijk onderdak) mensenlevens gered op dat moment, ook zijn we ervan overtuigd dat de investering in zowel de positie van vrouwen als het onderwijs aan jongens en meisjes iets heeft geplant dat geen enkel regime kan wegnemen. Wat dat betreft blijft Rina dan ook hoopvol: “Anders dan bij de vorige machtsperiode van de Taliban is er nu een grote groep vrouwen die redelijk opgeleid is en een zichtbare plaats heeft in de maatschappij en de arbeidsmarkt. Er is betere en meer educatie. En je hebt nu sociale media: ik verwacht dat vooral de Afghaanse vrouwen die gaan gebruiken om met elkaar in contact te blijven en zich te verzetten.”

Ook al staan we machteloos tegenover de recente ontwikkelingen in Afghanistan, we kunnen wél blijven bidden voor dit land en haar inwoners. Bid je mee?